# Uitstel voor doen aangifte wel of niet verleend?

- Link: https://www.gsaccountants.nl/uitstel-voor-doen-aangifte-wel-of-niet-verleend/
- Published: 2024-05-30T04:00:00+00:00

De bevoegdheid van de Belastingdienst om een aanslag inkomstenbelasting vast te 
stellen vervalt drie jaar na afloop van het jaar waarop de aanslag betrekking heeft.
Als uitstel voor het doen van aangifte is verleend, wordt de driejaarstermijn met
de duur van dit uitstel verlengd. Voor verlenging van de aanslagtermijn is vereist
dat door of namens de belanghebbende(n) om uitstel is verzocht. Daarnaast dient 
duidelijk kenbaar te zijn dat en voor welke periode uitstel is verleend.

De vraag of een aanslag tijdig is opgelegd, is onderwerp van een procedure voor 
Hof Den Bosch.

Het betreft een aanslag inkomstenbelasting over het jaar 2015, die op 29 mei 2019
is opgelegd. De erfgenamen van een overledene hebben op 30 juni 2015 een uitnodiging
ontvangen om aangifte inkomstenbelasting ten name van de erflaatster te doen vóór
1 april 2016. De erfgenamen hebben op 17 juni 2016 verzocht om uitstel voor het 
doen van deze aangifte tot 1 september 2016. Dit verzoek is op 20 juni 2016 door
de inspecteur ontvangen. Met dagtekening 21 juni 2016 heeft de inspecteur een herinnering
gestuurd voor het doen van de aangifte. In de brief staat dat de aangifte uiterlijk
op 5 juli 2016 moet zijn ingediend. Op 5 juli 2016 hebben de erfgenamen de aangifte
ingediend.

De inspecteur stelt dat hij de erfgenamen per brief van 28 juli 2016 uitstel heeft
verleend tot 1 september 2016. De erfgenamen beweren dat zij de uitstelbrief niet
eerder dan in de bezwaarfase hebben ontvangen. Gelet op het door de inspecteur overgelegde
verzendrapport vindt de rechtbank aannemelijk dat de uitstelbrief op 26 juli 2016
is verstuurd. De inspecteur heeft de verzending ervan aannemelijk heeft gemaakt.
Dat rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van de brief door de erfgenamen. Die
hebben dat vermoeden niet kunnen ontzenuwen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking
dat omstreeks 28 juli 2016 nog drie poststukken door de inspecteur naar hetzelfde
adres zijn verzonden. Daarvan is niet gesteld dat zij niet ontvangen zijn. De rechtbank
acht het daarnaast denkbaar dat de erfgenamen de uitstelbrief hebben ontvangen, 
maar daar geen acht op hebben geslagen omdat de aangifte al was ingediend. Gelet
op het voorgaande acht de rechtbank aannemelijk dat het gevraagde uitstel is verleend
en dat dit voor de erfgenamen kenbaar was.

In hoger beroep onderschrijft het hof het oordeel van de rechtbank, met uitzondering
van de passage dat omstreeks 28 juli 2016 nog drie poststukken door de inspecteur
naar hetzelfde adres zijn verzonden. Het ging slechts om één poststuk rond die datum.
De overige twee stukken zijn in april en juni 2016 naar hetzelfde adres verzonden.
Dat doet echter niet af aan het feit dat deze stukken wel zijn aangekomen op dat
adres. Voorts acht het hof het zeer wel denkbaar dat de erfgenamen geen acht hebben
geslagen op de uitstelbrief, omdat de betekenis daarvan was komen te ontvallen door
het indienen van de aangifte.

Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLINLGHSHE20241530, 22/1449
| 30-04-2024
